Vlaanderen.be

Research output

MONEOS – Geïntegreerd datarapport INBO: toestand Zeeschelde 2013: monitoringsoverzicht en 1ste lijnsrapportage Geomorfologie, diversiteit Habitats en diversiteit Soorten

Research output: Book/ReportReports of Research Institute for Nature and ForestResearch

Authors

Details

Original languageDutch
PublisherInstituut voor Natuur- en Bosonderzoek
Number of pages135
Publication statusPublished - 2014

Publication series

Name Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek
No.INBO.R.2014.2646963

Abstract

De voorliggende datarapportage omvat een toelichting en eerste lijn analyse van de onderdelen van de geïntegreerde systeemmonitoring van het Schelde-estuarium – MONEOS – uitgevoerd door het INBO.
Op de schorgebieden wordt de diversiteit aan hogere planten opgevolgd door middel van vegetatieopnames. Kaderend binnen de systeemmonitoring wordt 3-jaarlijks een vegetatieopname gemaakt van de permanente kwadraten. Een laatste keer dateert van 2013, waarvan de data hier ter beschikking worden gesteld. Illustratief wordt de trend in het voorkomen van Reuzenbalsemien (Impatiens glandulifera), een van de meest succesvolle invasieve plantensoorten, besproken. Hieruit blijkt dat Reuzenbalsemien significant is toegenomen tussen 1995 en 2013. De soort komt anno 2013 voor in meer dan 90% van de opnames en bereikt gemiddeld in deze opnames sinds 2004 een bedekking tussen 55 en 85%. Er is een opmerkelijke variabiliteit in het (kiem)succes van deze soort tussen de jaren, dit maakt dat deze soort mogelijk een interessante indicator is.
De datarapportage ‘Macrozoöbenthos’ (bodemdieren) omvat de verwerkte gegevens van de campagne 2012. Hoewel de zijrivieren Rupel, Zenne, Durme en het traject Melle – Gentbrugge de belangrijkste bodemdiergebieden blijven, lijkt er echter (in tegenstelling tot de Zeeschelde) een afname waarneembaar, met name in de Durme, de Nete en de Dijle. In de Zenne vinden we in 2012 de hoogste waarden voor het hele estuarium voor zowel densiteit als biomassa aan bodemdieren (142 * 10³ ind/m² en 13 g AFDW/m²). De intertidale zones zijn veruit de belangrijkste habitats. In het subtidaal is de densiteit en biomassa aan bodemdieren laag. In de Durme is er sinds 2011 een lage densiteit en biomassa aan bodemdieren te vinden. Sinds 2011 wordt er intensief gebaggerd in de Durme.
Sinds 2013 is na het testjaar 2012 een meetnet voor hyperbenthos (garnalen en garnaalachtigen) functioneel. De eerste resultaten worden besproken in dit datarapport. Vijf locaties langsheen de Zeeschelde en één langs de Rupel worden maandelijks bemonsterd van juli tot oktober. De gevangen hoeveelheden variëren echter sterk tussen de locaties. De hoogste biomassa werd gevangen aan het Paardenschor (1.4 g AFDW/m³) (vooral door Crangon crangon – Grijze garnaal), maar ook in de zoetwaterzone werd een relatief hoge biomassa bemonsterd (~1.2 g AFDW/m³) vooral door hoge aantallen (juveniele) vis (Gasterosteus aculeatus – Driedoornige stekelbaars). In totaal werden 36 soorten gevangen (16 vissoorten). Augustus is de topmaand voor de meeste locaties, al worden de waargenomen pieken door verschillende soorten veroorzaakt, naar gelang hun verspreiding langs het estuarium (en de saliniteitsgradiënt). Enkele van de dominante soorten beperken zich grotendeels of volledig tot het brakke gebied, bv. Crangon crangon (grijze garnaal), de exoot Neomysis americana (Amerikaanse brakwateraasgarnaal), Mesopodopsis slabberi (steeloogaasgarnaal) (maar ook bv. de pissebedden Eurydice pulchra en Synidotea laticauda). Anderzijds werden andere soorten voornamelijk of uitsluitend gevonden in het zoete gebied, waaronder verschillende vissoorten die in lage aantallen werden gevangen. Wijder verspreide dominante taxa zijn Neomysis integer (brakwateraasgarnaal) en de Palaemonidae (steurgarnalen).
De datarapportage ‘vis’ bespreekt de monitoringsresultaten bekomen met de fuikbemonstering en de ankerkuilbemonstering in 2013. Beide technieken zijn aanvullend aangezien de fuikdata eerder de toestand beschrijven van de benthische vispopulaties en de ankerkuilvangst eerder de toestand beschrijven van de pelagische vispopulatie. Bijkomend worden ook de resultaten van het aanvullende vrijwilligersmeetnet gerapporteerd. In 2013 blijft de zoetwater zone een goede ecologische toestand scoren. Sinds 2008 blijft de oligohaliene zone “ontoereikend” scoren. De score is wel toegenomen ten opzichte van 2012. Zoals in vorige rapportages al opgemerkt is dit de zone met de slechtste (weliswaar verbeterde) waterkwaliteit. Natuurlijk heeft ook de habitatstructuur een invloed op de visgemeenschap. De mesohaliene haalt in 2013 dezelfde ontoereikende score en beoordeling zoals in 2012. Tijdens het ankerkuilonderzoek vingen we in de Zeeschelde 42 vissoorten. Het hoogste aantal soorten werd in het voorjaar gevangen. In de mesohaliene zone worden het hoogste aantal soorten gevangen. Spiering blijft de meest abundante soort in de Zeeschelde. Alle levensstadia (larven, juvenielen en volwassen) worden gevangen wat er op wijst dat deze soort met succes paait in de Zeeschelde. Adulte finten werden opnieuw gevangen. Ondanks het feit dat fint eitjes werden gevangen was in 2013 de rekrutering geen succes gezien geen larven noch juveniele finten werden gevangen. Mogelijk was het voorjaar klimatologisch ongunstig of werden de eitjes uitgespoeld naar aanleiding van de verhoogde debieten na de calamiteit te Wetteren (treinongeval). In het najaar vingen we juveniele ansjovis, haring en zeebaars wat illustreert dat mariene soorten de Zeeschelde gebruiken als kinderkamer. De aanwezigheid van glasaal in de Zeeschelde is als positief te beschouwen. De vangst van een houting (in Steendorp), die in de Zeeschelde als uitgestorven soort wordt beschouwd, is opmerkelijk.
De globale patronen in de maandelijkse vogelaantallen langsheen de Zeeschelde blijven in 2013 vergelijkbaar met de voorbije jaren. De wintermaxima laten zich tellen in de maand december en schommelen dan rond een totaal van 16 000 watervogels en meeuwen. Het internationaal belang van de Zeeschelde als overwinteringsgebied is beperkter geworden en momenteel haalt enkel de Krakeend de 1%-norm. In bijna alle deelgebieden namen de aantallen van de Krakeend in 2013 ook verder af na een eerdere toename tengevolge van de strenge 2012 winter. Aanvullend wordt in de datarapportage van 2013 ook een analyse uitgevoerd op de telling van het aantal waargenomen donskuikens sinds 1993. Deze data wordt niet systematisch gerapporteerd in het kader van MONEOS maar de dataverzameling is een ‘bijvangst’ van de zomertellingen in de Zeeschelde. De analyse schetst het belang van de Zeeschelde als broed- en opgroeigebied van watervogels. De Bergeend is de dominante ‘waterbroedvogel’ in de Zeeschelde. De analyse van de data toont dat de trend in de broedvogelindicator gelijkaardige trends vertoont als de wintervogelaantallen in de zones Antwerpen tot Gent. De variatie is net zoals met de wintervogelaantallen het meest uitgesproken in de Boven-Zeeschelde (vooral zone Antwerpen-Dendermonde). Lage aantallen voor 1999. Hogere aantallen donskuikens in de periode 1999-2006 en een sterke terugval in het aantal kuikens vanaf 2006. In de Beneden-Zeeschelde (Zeeschelde IV) is de trend echter stabiel tot licht-positief voor de Bergeend.
In 2012 werden alle grote brakwaterschorgebieden langs de Zeeschelde geïnventariseerd op broedvogels. De data worden gerapporteerd.
De meest opvallende trends in de toestand van de zoogdieren in 2013 is de maar liefst 148 geregistreerde waarnemingen Bruinvis op zowel de Schelde (tot in Gent) als de Rupel (tot aan het Zennegat). Nagenoeg al deze waarnemingen werden verricht in de periode tussen 27 maart en 15 juni. De waarnemingen betreffen wellicht een groep van een twintigtal verschillende exemplaren. Er werden maar liefst 12 dode exemplaren teruggevonden. In 2013 breidde de Europese bever zijn areaal in de Scheldevallei verder uit. Er werden in totaal 100 waarnemingen ingevoerd, bijna uitsluitend van sporen. Nieuwe locaties werden aangetroffen langs de Dijle en zijlopen in Tremelo, Rijmenam en Zemst, langs de Zenne in Zemst (Dorent), langs de Durme in Lokeren en Waasmunster (Molsbroek en omgeving), langs de Schelde in Wetteren en Berlare (Kalkense Meersen en Berlare Broek).
De MONEOS-slik-schorprofielen werden in 2013 opgemeten. De hoogteveranderingen langsheen de slikprofielen zijn vaak locatieafhankelijk. Sommige zijn relatief stabiel, anderen sedimenteren. Wanneer erosie optreedt, is het vaak in de lage slikzone en gaat het gepaard met sedimentatie in de hogere slikzone. Slikken tussen de Rupelmonding en Dendermonde, waar in het verleden sterke veranderingen zijn opgetreden (o.a. door zandwinning), herstellen zich (tot nu toe) maar tot op een lager niveau of het profiel vertoont eerder een opbolling omdat het herstel van het laag slik moeilijker verloopt dan de hogere slikzones. Beide fenomenen zorgen voor een versteiling van de helling van het slik.
Tot slot wordt een overzicht gegeven van de veranderingen van de fysiotoopoppervlaktes 2010-2011-2012 in de Beneden-Zeeschelde en van de ecotoop oppervlakte-veranderingen tussen 2010 en 2012 in de Beneden-Zeeschelde. Tussen 2010-2012 neemt het diep en ondiep subtidaal licht toe in areaal. Bij de zacht substraten neemt vooral het hoog slik zacht substraat met een derde toe, voornamelijk door de ontpoldering Lillo-polder. Het beperkt areaal middelhoog natuurlijk hard substraat neemt af. Bij de door de mens verharde substraten blijkt het laag slik hard antropogeen met bijna een derde toegenomen (steenbestorting). Hogerop in het supralitoraal gebied neemt de potentiële pionierzone af terwijl het schorareaal met 6ha toeneemt.
Research output (related by authors)
Shopping cart
Add to cart Saved citations

Copy the text from this field...

Documents

Documents

Relations
View graph of relations