Vlaanderen.be

Research output

Onderzoek van enkele specifieke knelpunten voor de vismigratie: rapport 2

Research output: Book/ReportReports of Research Institute for Nature and Forest

Authors

Details

Original languageDutch
PublisherInstituut voor Bosbouw en Wildbeheer/Waterbouwkundig Laboratorium
Number of pages118
Publication statusPublished - 1999

Publication series

NameRapporten van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer
No.IBW.wb.V.R.99.68

Abstract

De studie “Onderzoek van enkele specifieke knelpunten voor de vismigratie” kadert in de realisatie van een Beschikking van het Comité van Ministers van de Benelux Economische Unie (26-04-1996), waarin de deelnemende landen zich ertoe verbinden om tegen 1 januari 2010 vismigratieknelpunten van eender welke aard voor alle vissoorten op te heffen. In voorliggende studie wordt via concreet onderzoek nagegaan of en in welke mate duikers en sifons een belemmering vormen voor de vrije vismigratie. Onderzoek naar de vismigratie doorheen sluizen zal beperkt worden tot een literatuurstudie. In het kader van het onderzoek wordt een literatuurstudie uitgevoerd over vismigratie doorheen duikers, sifons en sluizen. Via deze literatuurstudie wordt voor een groot aantal vissoorten informatie verzameld over de zwemcapaciteiten. Daarnaast wordt in de literatuur als belangrijkste knelpunt van duikers en sifons de vaak extreem hoge stroomsnelheden vermeld. Wat betreft de vismigratie doorheen sluizen wordt slechts weinig informatie gevonden. Het betreft voornamelijk migratie van glasaal doorheen spuisluizen. Veralgemenen van de gevonden gegevens naar andere soorten is moeilijk. Migratie van andere soorten wordt ook vastgesteld, maar het is niet duidelijk in welke omstandigheden dit juist kan gebeuren.

Het eerste onderzoeksluik wordt op het Waterbouwkundig Laboratorium uitgevoerd in een stroomgoot waarin de debieten en stroomsnelheden controleerbaar zijn. Voor een aantal vissoorten wordt onder experimentele omstandigheden nagegaan tegen welke stroomsnelheden de vissen nog kunnen opzwemmen. Daarna wordt ook de bereidheid onderzocht om een donkere buis in te zwemmen waarin ‘haalbare’ snelheden heersen. In een eerste onderzoeksperiode worden blankvoorn1, rietvoorn, kopvoorn, riviergrondel, winde en zeelt onderzocht. Tijdens een tweede onderzoeksperiode worden dezelfde soorten gebruikt (met uitzondering van blankvoorn en kopvoorn), aangevuld met baars en beekforel.

Voor het tweede luik van het onderzoek wordt door de Afdeling Bos en Groen een vijver ter beschikking gesteld in de viskwekerij “De Volharding” te Rijkevorsel. In deze vijver worden een duiker en een sifon aangelegd. Voor het eigenlijke experiment wordt de migratie van de stroomafwaarts uitgezette vissen doorheen de buizen gevolgd aan de hand van wekelijkse afvissingen. Per constructie worden drie stroomsnelheden ingesteld (0,42, 0,37 en 0,17m/s voor de duiker en 0,35, 0,18 en 0,09m/s voor de sifon). Deze afvissingen worden gezamelijk uitgevoerd door medewerkers van het Instituut voor Bosbouw en Wildbeheer, de Afdeling Bos en Groen en het Waterbouwkundig Laboratorium.
De vissoorten die bij de onderzoeksperiode in het voorjaar ’98 gebruikt worden, zijn riviergrondel, rietvoorn, zeelt, kolblei, kopvoorn, beekforel en winde. In het najaar ’98 worden in een tweede onderzoeksperiode beekforel en snoek gebruikt. Deze laatste soort werd ook nog eens gebruikt in het voorjaar ’99.

Het derde luik van het onderzoek wordt uitgevoerd in reële situaties. Het bestaat er in twee sifons, gelegen op de Abeek en de Bosbeek, te evalueren op hun passeerbaarheid voor vissen. In het geval de vissen in experimentele condities onvoldoende migratiegedrag zouden vertonen, kunnen op het terrein alsnog een aantal interessante gegevens worden verzameld. Indien de experimenten een vlot verloop kennen, kunnen de resultaten verkregen in het laboratorium en onder gecontroleerde omstandigheden in de proefvijver, getoetst worden aan vastgestelde feiten onder natuurlijke omstandigheden. Voor dit onderzoeksluik wordt in hoofdzaak gebruik gemaakt van de van nature aanwezige vispopulatie, op de Bosbeek aangevuld met het uitzetten van 100 rietvoorns en 100 riviergrondels. Er wordt gebruik gemaakt van de merk-en-terugvangstmethode, en elk knelpunt wordt 9 maal bemonsterd (in de periode van 3 maart tot 23 juni 1998).

Uit de experimenten op het Waterbouwkundig Laboratorium kunnen wat betreft de ‘haalbare snelheden’ de volgende besluiten getrokken worden (tussen haakjes wordt telkens de gemiddelde lengte van de gebruikte vissen vermeld): kopvoorn (12,9cm) en zeelt (24,1cm) kunnen vlot stroomopwaarts zwemmen tegen stroomsnelheden tot 0,37m/s; riviergrondel (9,8-11,5cm) kan stroomopwaarts zwemmen tegen een stroomsnelheid van 0,43m/s; rietvoorn (14,6-15,9cm), baars (18,4cm), beekforel (28,8cm) en winde (20,7cm) zwemmen vlot stroomopwaarts tegen stroomsnelheden tot 0,52m/s. Kleinere winde (11,5cm) is in staat om tegen stroomsnelheden tot 0,48m/s op te zwemmen. Migratie in een donkere buis blijkt geen probleem te vormen voor riviergrondel, kopvoorn, winde, baars en rietvoorn. Voor beekforel daarentegen wordt vastgesteld dat deze soort een donkere buis niet binnenzwemt, en enkel gaat schuilen aan de ingang. Voor zeelt wordt slechts in beperkte mate migratie vastgesteld.

Het experimenteel onderzoek in de vijver te Rijkevorsel geeft aan dat verschillende vissoorten doorheen een duiker of een sifon migreren. Alle uitgezette vissoorten van de eerste onderzoeksperiode (kopvoorn, riviergrondel, winde, beekforel, zeelt, blankvoorn, rietvoorn, kolblei) zwemmen doorheen de duiker. De sifon vormt geen barrière voor de meeste vissoorten, behalve voor de beekforel. Ook kleinere individuen vinden hun weg stroomopwaarts doorheen duiker en sifon. In de tweede onderzoeksperiode met beekforel en snoek wordt vastgesteld dat snoek vlot en beekforel moeilijk migreert door de duiker (bij een stroomsnelheid van 0,42m/s). En ook nu blijkt de migratie van beekforel doorheen de sifon een probleem te zijn (stroomsnelheid 0,35m/s). In de derde onderzoeksperiode kan aangetoond worden dat snoek ook migreert doorheen een sifon.

Alhoewel men reeds lange tijd veronderstelt dat duikers en sifons onoverkomelijke hindernissen vormen voor vismigratie, toont het onderzoek op de Bosbeek en de Abeek aan dat sifons tot 70m lengte geen echte migratiebarriére vormen. Onder de gegeven omstandigheden blijken heel wat soorten in staat er doorheen te migreren. Of dit voor alle vissoorten het geval is, kan hier niet worden achterhaald. Een opvallend verschijnsel dat wordt vastgesteld, is de neiging van vissen om zich te concentreren aan de in- en uitgang van een sifon. Waarschijnlijk spelen factoren als het zoeken naar een geschikte schuilplaats in de nabijheid, en het elders ontbreken hiervan in de vaak rechtgetrokken en geruimde waterlopen, hierin een belangrijke rol.

Als mogelijke oplossingen voor de belangrijkste migratieproblemen worden in hoofdstuk 6 een aantal richtlijnen gegeven waarmee rekening dient gehouden te worden bij de aanleg van duikers en sifons. Er worden ook aanbevelingen gedaan voor verder onderzoek.

Tot slot worden in hoofdstuk 7 de algemene besluiten van dit onderzoek gegroepeerd.
Research output (related by authors)
Shopping cart
Add to cart Saved citations

Copy the text from this field...

Documents

Documents

Relations
View graph of relations