Vlaanderen.be

Research output

PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen: deel 1: methodologie

Research output: Book/ReportReports of Research Institute for Nature and Forest

Standard

PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen : deel 1: methodologie. / Wouters, Jan; Decleer, Kris; Vanderhaeghe, Floris; Hens, Maarten.

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2013. 54 p. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; No. INBO.R.2013.1042214).

Research output: Book/ReportReports of Research Institute for Nature and Forest

Harvard

Wouters, J, Decleer, K, Vanderhaeghe, F & Hens, M 2013, PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen: deel 1: methodologie. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, no. INBO.R.2013.1042214, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.

APA

Wouters, J., Decleer, K., Vanderhaeghe, F., & Hens, M. (2013). PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen: deel 1: methodologie. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; No. INBO.R.2013.1042214). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.

Author

Wouters, Jan ; Decleer, Kris ; Vanderhaeghe, Floris ; Hens, Maarten. / PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen : deel 1: methodologie. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2013. 54 p. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; INBO.R.2013.1042214).

Bibtex

@book{f4d3ec160c9248f1b44e72fb547e2a3f,
title = "PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen: deel 1: methodologie",
abstract = "Het inschatten van natuurpotenties is een belangrijk onderdeel in plannen of processen die een ruimtelijke impact hebben op het voorkomen van natuurtypen. Hiertoe heeft men tegenwoordig beschikking over een aantal bestaande modellen, waarvan een aantal specifiek voor Vlaanderen werden ontwerpen. De nood bleef bestaan aan een model dat op een overzichtelijke manier, de bestaande ecologische natuurkennis ruimtelijk kan vertalen en in heel Vlaanderen en ook op de schaal van Vlaanderen kan ingezet worden. Het Inbo heeft met dat doel een deterministisch model PotNat ontwikkeld, op basis van het Nederlandse Natles-model. In het rapport wordt het theoretische kader van het model geschetst. Het model berust op twee pijlers van a priori vergaarde kennis. E{\'e}n kennispijler beschrijft de abiotische vereisten (= standplaats) van een vegetatietype en wordt de vraagzijde genoemd. De andere kennispijler geeft het fysische milieu op de locaties weer en wordt de aanbodzijde genoemd. Beide kennispijlers kunnen door kansvariabelen beschreven worden, waardoor de abiotische kansrijkdom kan gedefinieerd worden als het product van twee kansen, nl. van de kans dat het bepaalde milieu tot de standplaats behoort met de kans het bepaalde milieu voorkomt op die bepaalde plaats. De praktische toepassing van dit concept noopt tot enkele vereenvoudigingen: zo is het niet geweten van elke unieke combinatie van fysische variabelen die voor een vegetatietype bepalend zijn of ze deel uitmaken van zijn standplaats. Mocht dat toch het geval zijn, zou het (te) veel rekentijd vergen om dat voor elke locatie na te gaan. In plaats hiervan wordt de abiotische kansrijkdom in twee (of drie) fasen berekend. In de eerste fase wordt per fysische variabele (die tot een klassenvariabele werd getransformeerd) afzonderlijk berekend in welke mate een bepaalde plaats aan de vereisten van een vegetatietype voldoet. Vervolgens worden de uitkomsten tot een globale score verrekend (via een vermenigvuldiging of een gewogen gemiddelde). Een plaats die voor een vegetatietype ongeschikt is voor {\'e}{\'e}n van de fysische variabelen, wordt geen abiotische kansrijkdom toegemeten. Bijzondere aandacht gaat naar de omgang met ontbrekende lokale milieugegevens. Het eindresultaat is door de toegepaste vereenvoudigingen geen kans meer, maar is een score die dient gekalibreerd te worden met veldwaarnemingen. In het rapport wordt ook een toepassing van het model voor gebruik in en op schaal Vlaanderen uitgewerkt: PotNat-Vlaanderen. Als vegetatie-eenheid (natuurtype) wordt uitgegaan van een speciaal ontworpen hi{\"e}rarchisch stelsel van ecotoop- en ecoserietypen alsook van de habitattypologie. Voor elke eenheid wordt de standplaats beschreven met een vaste set van negen fysische variabelen: bodemprofiel, bodemtextuur, grondwaterstandsdaling, overstromingstolerantie, trofiegraad bodem, watersamenstelling, waterregime, zoutgehalte water en zuurgraad bodem. Op basis van deze negen variabelen werd een klassenindeling ontworpen, rekening houdende met de ecologische vereisten van de natuurtypen alsook met de er voor Vlaanderen beschikbare ruimtelijke informatie. De standplaatsvereisten werden beschreven aan de hand van de bekende ecologische kennis. Voor de ruimtelijke informatie werd vooral beroep gedaan op enkele gebiedsdekkende informatiebronnen zoals de biologische waarderingskaart en de bodemkaart. Deze informatie werd vooral aangevuld met de aardewerk-databank en overstromingskaarten. De gevolgde werkwijze om voor een fysische variabele een gebiedsdekkende informatielaag te verkrijgen wordt gedetailleerd toegelicht. Voor het berekenen van de abiotische kansrijkdom werd een tool voor ArcGis ontworpen.",
author = "Jan Wouters and Kris Decleer and Floris Vanderhaeghe and Maarten Hens",
year = "2013",
month = "12",
language = "Nederlands",
series = "Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek",
publisher = "Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek",
number = "INBO.R.2013.1042214",
address = "Belgi{\"e}",

}

RIS

TY - BOOK

T1 - PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen

T2 - deel 1: methodologie

AU - Wouters, Jan

AU - Decleer, Kris

AU - Vanderhaeghe, Floris

AU - Hens, Maarten

PY - 2013/12

Y1 - 2013/12

N2 - Het inschatten van natuurpotenties is een belangrijk onderdeel in plannen of processen die een ruimtelijke impact hebben op het voorkomen van natuurtypen. Hiertoe heeft men tegenwoordig beschikking over een aantal bestaande modellen, waarvan een aantal specifiek voor Vlaanderen werden ontwerpen. De nood bleef bestaan aan een model dat op een overzichtelijke manier, de bestaande ecologische natuurkennis ruimtelijk kan vertalen en in heel Vlaanderen en ook op de schaal van Vlaanderen kan ingezet worden. Het Inbo heeft met dat doel een deterministisch model PotNat ontwikkeld, op basis van het Nederlandse Natles-model. In het rapport wordt het theoretische kader van het model geschetst. Het model berust op twee pijlers van a priori vergaarde kennis. Eén kennispijler beschrijft de abiotische vereisten (= standplaats) van een vegetatietype en wordt de vraagzijde genoemd. De andere kennispijler geeft het fysische milieu op de locaties weer en wordt de aanbodzijde genoemd. Beide kennispijlers kunnen door kansvariabelen beschreven worden, waardoor de abiotische kansrijkdom kan gedefinieerd worden als het product van twee kansen, nl. van de kans dat het bepaalde milieu tot de standplaats behoort met de kans het bepaalde milieu voorkomt op die bepaalde plaats. De praktische toepassing van dit concept noopt tot enkele vereenvoudigingen: zo is het niet geweten van elke unieke combinatie van fysische variabelen die voor een vegetatietype bepalend zijn of ze deel uitmaken van zijn standplaats. Mocht dat toch het geval zijn, zou het (te) veel rekentijd vergen om dat voor elke locatie na te gaan. In plaats hiervan wordt de abiotische kansrijkdom in twee (of drie) fasen berekend. In de eerste fase wordt per fysische variabele (die tot een klassenvariabele werd getransformeerd) afzonderlijk berekend in welke mate een bepaalde plaats aan de vereisten van een vegetatietype voldoet. Vervolgens worden de uitkomsten tot een globale score verrekend (via een vermenigvuldiging of een gewogen gemiddelde). Een plaats die voor een vegetatietype ongeschikt is voor één van de fysische variabelen, wordt geen abiotische kansrijkdom toegemeten. Bijzondere aandacht gaat naar de omgang met ontbrekende lokale milieugegevens. Het eindresultaat is door de toegepaste vereenvoudigingen geen kans meer, maar is een score die dient gekalibreerd te worden met veldwaarnemingen. In het rapport wordt ook een toepassing van het model voor gebruik in en op schaal Vlaanderen uitgewerkt: PotNat-Vlaanderen. Als vegetatie-eenheid (natuurtype) wordt uitgegaan van een speciaal ontworpen hiërarchisch stelsel van ecotoop- en ecoserietypen alsook van de habitattypologie. Voor elke eenheid wordt de standplaats beschreven met een vaste set van negen fysische variabelen: bodemprofiel, bodemtextuur, grondwaterstandsdaling, overstromingstolerantie, trofiegraad bodem, watersamenstelling, waterregime, zoutgehalte water en zuurgraad bodem. Op basis van deze negen variabelen werd een klassenindeling ontworpen, rekening houdende met de ecologische vereisten van de natuurtypen alsook met de er voor Vlaanderen beschikbare ruimtelijke informatie. De standplaatsvereisten werden beschreven aan de hand van de bekende ecologische kennis. Voor de ruimtelijke informatie werd vooral beroep gedaan op enkele gebiedsdekkende informatiebronnen zoals de biologische waarderingskaart en de bodemkaart. Deze informatie werd vooral aangevuld met de aardewerk-databank en overstromingskaarten. De gevolgde werkwijze om voor een fysische variabele een gebiedsdekkende informatielaag te verkrijgen wordt gedetailleerd toegelicht. Voor het berekenen van de abiotische kansrijkdom werd een tool voor ArcGis ontworpen.

AB - Het inschatten van natuurpotenties is een belangrijk onderdeel in plannen of processen die een ruimtelijke impact hebben op het voorkomen van natuurtypen. Hiertoe heeft men tegenwoordig beschikking over een aantal bestaande modellen, waarvan een aantal specifiek voor Vlaanderen werden ontwerpen. De nood bleef bestaan aan een model dat op een overzichtelijke manier, de bestaande ecologische natuurkennis ruimtelijk kan vertalen en in heel Vlaanderen en ook op de schaal van Vlaanderen kan ingezet worden. Het Inbo heeft met dat doel een deterministisch model PotNat ontwikkeld, op basis van het Nederlandse Natles-model. In het rapport wordt het theoretische kader van het model geschetst. Het model berust op twee pijlers van a priori vergaarde kennis. Eén kennispijler beschrijft de abiotische vereisten (= standplaats) van een vegetatietype en wordt de vraagzijde genoemd. De andere kennispijler geeft het fysische milieu op de locaties weer en wordt de aanbodzijde genoemd. Beide kennispijlers kunnen door kansvariabelen beschreven worden, waardoor de abiotische kansrijkdom kan gedefinieerd worden als het product van twee kansen, nl. van de kans dat het bepaalde milieu tot de standplaats behoort met de kans het bepaalde milieu voorkomt op die bepaalde plaats. De praktische toepassing van dit concept noopt tot enkele vereenvoudigingen: zo is het niet geweten van elke unieke combinatie van fysische variabelen die voor een vegetatietype bepalend zijn of ze deel uitmaken van zijn standplaats. Mocht dat toch het geval zijn, zou het (te) veel rekentijd vergen om dat voor elke locatie na te gaan. In plaats hiervan wordt de abiotische kansrijkdom in twee (of drie) fasen berekend. In de eerste fase wordt per fysische variabele (die tot een klassenvariabele werd getransformeerd) afzonderlijk berekend in welke mate een bepaalde plaats aan de vereisten van een vegetatietype voldoet. Vervolgens worden de uitkomsten tot een globale score verrekend (via een vermenigvuldiging of een gewogen gemiddelde). Een plaats die voor een vegetatietype ongeschikt is voor één van de fysische variabelen, wordt geen abiotische kansrijkdom toegemeten. Bijzondere aandacht gaat naar de omgang met ontbrekende lokale milieugegevens. Het eindresultaat is door de toegepaste vereenvoudigingen geen kans meer, maar is een score die dient gekalibreerd te worden met veldwaarnemingen. In het rapport wordt ook een toepassing van het model voor gebruik in en op schaal Vlaanderen uitgewerkt: PotNat-Vlaanderen. Als vegetatie-eenheid (natuurtype) wordt uitgegaan van een speciaal ontworpen hiërarchisch stelsel van ecotoop- en ecoserietypen alsook van de habitattypologie. Voor elke eenheid wordt de standplaats beschreven met een vaste set van negen fysische variabelen: bodemprofiel, bodemtextuur, grondwaterstandsdaling, overstromingstolerantie, trofiegraad bodem, watersamenstelling, waterregime, zoutgehalte water en zuurgraad bodem. Op basis van deze negen variabelen werd een klassenindeling ontworpen, rekening houdende met de ecologische vereisten van de natuurtypen alsook met de er voor Vlaanderen beschikbare ruimtelijke informatie. De standplaatsvereisten werden beschreven aan de hand van de bekende ecologische kennis. Voor de ruimtelijke informatie werd vooral beroep gedaan op enkele gebiedsdekkende informatiebronnen zoals de biologische waarderingskaart en de bodemkaart. Deze informatie werd vooral aangevuld met de aardewerk-databank en overstromingskaarten. De gevolgde werkwijze om voor een fysische variabele een gebiedsdekkende informatielaag te verkrijgen wordt gedetailleerd toegelicht. Voor het berekenen van de abiotische kansrijkdom werd een tool voor ArcGis ontworpen.

M3 - Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

T3 - Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

BT - PotNat, een GIS-tool voor het bepalen van de abiotische kansrijkdom van natuurtypen

PB - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

ER -

Research output (related by authors)
Shopping cart
Add to cart Saved citations

Copy the text from this field...

Documents

Documents

Relations
View graph of relations