Vlaanderen.be

Onderzoeksoutput

Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie

Onderzoeksoutput: Boek/rapportRapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Standard

Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie. / Raman, Maud; Van Kerckvoorde, Andy.

Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2014. 65 blz. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; No. INBO.R.2014.1546683).

Onderzoeksoutput: Boek/rapportRapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

Harvard

Raman, M & Van Kerckvoorde, A 2014, Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie. Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, nr. INBO.R.2014.1546683, Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.

APA

Raman, M., & Van Kerckvoorde, A. (2014). Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; No. INBO.R.2014.1546683). Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek.

Author

Raman, Maud ; Van Kerckvoorde, Andy. / Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie. Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, 2014. 65 blz. (Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek; INBO.R.2014.1546683).

Bibtex

@book{3f07eb213583418b8f84e803c5cbfcba,
title = "Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie",
abstract = "Dit voortgangsrapport geeft weer in welke mate glanshavergrasland (habitattype 6510, subtype Arrhenaterion) ecologisch goed ontwikkeld is op de Leiebermen bij de huidige beheervormen 1x en 2x maaien. Deze beheervormen werden in 2004 gekoppeld aan zones met een ecologische betere (1x maaien) en mindere (2x maaien) kwaliteit. Om de vegetatie kwantitatief te kunnen opvolgen werden 120 pq’s ad random uitgezet, verspreid over de 2 beheervormen.Uit de vegetatieanalyse blijkt dat opnames met 1 maaibeurt niet significant verschillen van opnames met 2 maaibeurten. Dit werd aangetoond met behulp van een afstandsmaat tot ecologisch goed ontwikkeld glanshavergrasland en soortenaantal als responsvariabelen. De opnamen zijn nog vrij ver verwijderd van een ecologisch goed ontwikkeld Arrhenaterion, te wijten aan een hoge bedekking storingsindicatoren en een lage bedekking van typische soorten.De weinige typische soorten, vooral knoopkruid en wilde peen, van het Arrhenaterion kwamen voornamelijk voor in de opnamen die 1x werden gemaaid.Enkel beschaduwing blijkt een significant effect te hebben op de soortenrijkdom. De breedte van de berm en het maairegime (rekening houdend met de verschillende uitgangsituatie) blijken geen significante verklarende variabelen te zijn. De nutri{\"e}ntenstatus van de bodem is vermoedelijk een sterkere verklarende variabele. Zo kan het grote aandeel van verstoringsindicatoren een gevolg zijn van de bemesting die tot in 1995 werd uitgevoerd. Metingen van de bodemkwaliteit kunnen hier extra informatie verschaffen.Er wordt geadviseerd om het standaard maairegime uitgevoerd met een klepelmaaier met opzuigcombinatie aan te houden.",
author = "Maud Raman and {Van Kerckvoorde}, Andy",
year = "2014",
month = "2",
day = "25",
language = "Nederlands",
series = "Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek",
publisher = "Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek",
number = "INBO.R.2014.1546683",
address = "Belgi{\"e}",

}

RIS

TY - BOOK

T1 - Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie

AU - Raman, Maud

AU - Van Kerckvoorde, Andy

PY - 2014/2/25

Y1 - 2014/2/25

N2 - Dit voortgangsrapport geeft weer in welke mate glanshavergrasland (habitattype 6510, subtype Arrhenaterion) ecologisch goed ontwikkeld is op de Leiebermen bij de huidige beheervormen 1x en 2x maaien. Deze beheervormen werden in 2004 gekoppeld aan zones met een ecologische betere (1x maaien) en mindere (2x maaien) kwaliteit. Om de vegetatie kwantitatief te kunnen opvolgen werden 120 pq’s ad random uitgezet, verspreid over de 2 beheervormen.Uit de vegetatieanalyse blijkt dat opnames met 1 maaibeurt niet significant verschillen van opnames met 2 maaibeurten. Dit werd aangetoond met behulp van een afstandsmaat tot ecologisch goed ontwikkeld glanshavergrasland en soortenaantal als responsvariabelen. De opnamen zijn nog vrij ver verwijderd van een ecologisch goed ontwikkeld Arrhenaterion, te wijten aan een hoge bedekking storingsindicatoren en een lage bedekking van typische soorten.De weinige typische soorten, vooral knoopkruid en wilde peen, van het Arrhenaterion kwamen voornamelijk voor in de opnamen die 1x werden gemaaid.Enkel beschaduwing blijkt een significant effect te hebben op de soortenrijkdom. De breedte van de berm en het maairegime (rekening houdend met de verschillende uitgangsituatie) blijken geen significante verklarende variabelen te zijn. De nutriëntenstatus van de bodem is vermoedelijk een sterkere verklarende variabele. Zo kan het grote aandeel van verstoringsindicatoren een gevolg zijn van de bemesting die tot in 1995 werd uitgevoerd. Metingen van de bodemkwaliteit kunnen hier extra informatie verschaffen.Er wordt geadviseerd om het standaard maairegime uitgevoerd met een klepelmaaier met opzuigcombinatie aan te houden.

AB - Dit voortgangsrapport geeft weer in welke mate glanshavergrasland (habitattype 6510, subtype Arrhenaterion) ecologisch goed ontwikkeld is op de Leiebermen bij de huidige beheervormen 1x en 2x maaien. Deze beheervormen werden in 2004 gekoppeld aan zones met een ecologische betere (1x maaien) en mindere (2x maaien) kwaliteit. Om de vegetatie kwantitatief te kunnen opvolgen werden 120 pq’s ad random uitgezet, verspreid over de 2 beheervormen.Uit de vegetatieanalyse blijkt dat opnames met 1 maaibeurt niet significant verschillen van opnames met 2 maaibeurten. Dit werd aangetoond met behulp van een afstandsmaat tot ecologisch goed ontwikkeld glanshavergrasland en soortenaantal als responsvariabelen. De opnamen zijn nog vrij ver verwijderd van een ecologisch goed ontwikkeld Arrhenaterion, te wijten aan een hoge bedekking storingsindicatoren en een lage bedekking van typische soorten.De weinige typische soorten, vooral knoopkruid en wilde peen, van het Arrhenaterion kwamen voornamelijk voor in de opnamen die 1x werden gemaaid.Enkel beschaduwing blijkt een significant effect te hebben op de soortenrijkdom. De breedte van de berm en het maairegime (rekening houdend met de verschillende uitgangsituatie) blijken geen significante verklarende variabelen te zijn. De nutriëntenstatus van de bodem is vermoedelijk een sterkere verklarende variabele. Zo kan het grote aandeel van verstoringsindicatoren een gevolg zijn van de bemesting die tot in 1995 werd uitgevoerd. Metingen van de bodemkwaliteit kunnen hier extra informatie verschaffen.Er wordt geadviseerd om het standaard maairegime uitgevoerd met een klepelmaaier met opzuigcombinatie aan te houden.

M3 - Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

T3 - Rapporten van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

BT - Evaluatie bermbeheerplan van de gekanaliseerde Leie

PB - Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek

ER -

Onderzoeksoutput (gerelateerd via auteurs)
Winkelwagen
Toevoegen aan winkelwagen Opgeslagen in winkelwagen

Kopieer de tekst uit dit veld...

Documenten

Documenten

Relaties
Bekijk grafiek van relaties